19 oktober 2020
Wat zou TRIZ kunnen leren van de huidige octrooi-intelligentie?
Als innovatieverslaafde lees en luister ik altijd graag naar vernieuwende ideeën. Of ze nu incrementeel, strategisch of disruptief zijn, maakt niet uit. Voor iemand zoals ik leven we dus in een boeiende tijd. Technologieën veranderen in een exponentieel tempo, creëren nieuwe mogelijkheden en verruimen onze blik. Misschien kunnen we nu immers ideeën uit het verleden realiseren die destijds hun tijd te ver vooruit waren.
In het verleden moeten er verschillende ‘Einsteins’ zijn geweest die hun tijd ver vooruit waren en briljante ideeën bedachten. Helaas was de technologie toen nog niet voldoende ontwikkeld om hun idee om te zetten in een economisch levensvatbaar product.
Daarom besloot ik meer octrooien te lezen en te proberen te achterhalen welke uitvinding in de octrooiconclusies wordt beschreven. Net zoals Genrich Altshuller dat zoveel jaren geleden deed.
Het lezen van die octrooien en het zoeken naar de eigenlijke uitvinding bleek een worsteling. De meeste octrooiconclusies bleken het idee heel goed te beschrijven, maar slechts enkele maakten echt duidelijk waarom een bepaalde conclusie belangrijk was voor de uitvinding. Octrooiconclusies staan vol formuleringen zoals ‘omvattende’ en ‘met het kenmerk dat’. Soms lezen ze eerder als een beschrijving van een ontwerp dan als het claimen van een uitvinding. De nadruk ligt vaak op het product in plaats van op de eigenlijke innovatie.
Als je een ‘therapeutisch toedieningsapparaat voor het toedienen van afgemeten volumes van een therapeutisch product, waarbij het apparaat omvat …’ claimt, lijkt het alsof het therapeutische apparaat of het therapeutische product de uitvinding is. In werkelijkheid moet de eigenlijke innovatie liggen in de manier of methode waarop de afgemeten volumes worden toegediend. Hoogstwaarschijnlijk kan die methode ook buiten de therapeutische sector worden toegepast en een oplossing bieden voor andere situaties waarin vloeistof in afgemeten volumes moet worden toegediend. Het gaat dus in wezen om een schaalbare oplossing met economisch potentieel.
De analyse van het proces waarin een idee wordt vertaald naar een octrooi heeft me twee dingen geleerd:
- De octrooisector is vooral gericht op het businessmodel waarbij elk idee of elke uitvinding moet worden beschermd tegen kopiëren of inbreuk. Dat is zowel het uitgangspunt van de octrooigemachtigde als de vraag van de uitvinder. Vanuit die gedachtegang is het logisch dat je de uitvinding zo probeert te beschrijven dat je voorbereid bent op rechtszaken wanneer er sprake is van inbreuk of plagiaat.
- De uitvinder wil de uitvinding beschermen en richt zich daarbij op het volledige product en die eerste klant. In veel gevallen is de uitvinder uit het oog verloren welke problemen er werkelijk zijn opgelost en hoe die oplossingen ook voor andere klanten kunnen worden ingezet.
Wanneer die twee partijen samen een octrooi opstellen, resulteert dat in zeer beschrijvende conclusies waarin de uitvinding onvoldoende centraal staat. De waardevolle innovatie wordt ondertussen wel in de octrooibeschrijving openbaar gemaakt, met alle gevolgen voor de nieuwheid.
Volgens mij zijn we vergeten te achterhalen welke problemen we met onze uitvinding werkelijk oplossen. Daardoor missen we kansen, want problemen en oplossingen zijn schaalbaar, terwijl ideeën vaak niet of minder schaalbaar zijn.
Als Genrich Altshuller het onderzoek dat tot de veertig TRIZ-principes leidde vandaag zou herhalen, vraag ik me dan ook af of hij die principes in zulke beschrijvende octrooien zou herkennen.
Maar misschien kunnen we dankzij de ontwikkeling van artificiële intelligentie een algoritme ontwikkelen dat die uitvindingsprincipes herkent, of op zijn minst suggesties doet om octrooiconclusies te schrijven die dichter bij de eigenlijke uitvinding liggen.